Hartelijk welkom op de website van Viscollege “de Hengelaar” de Rijp.
Viscollege “De Hengelaar” is opgericht in 1911 en toen vooral notabele leden, zoals winkeliers, zakenlieden die een visvergunning konden betalen en met de wedstrijden mee konden doen, vooraf zaterdagavond werd de loting verricht en zondag was de wedstrijd er werd gevist vooral op karper, met als eerste prijs een wollen deken. De prijsuitreiking is zoals nu nog in de plaatselijke horeca.
Later werd er in wedstrijdverband op baars gevist het zogenaamde torren pikken. Met een deelname aantal van 40 personen met een A en een B team, de laatste jaren hebben we een actieve winterbaars afdeling en een Snoek en Snoekbaars wedstrijden, jeugdwedstrijden, vooral met de Rijperkermis vele activiteiten. Viscollege “De Hengelaar” kent daarmee een rijke historie waar we trots op zijn.
Ook voor de recreatie vissers zijn er vele mogelijkheden, rond om De Rijp zijn er vele vis mogelijkheden met een zeer goed karper bestand. De Eilandspolder is een eldorama voor de recreatievissers met vele bootverhuur mogelijkheden.
Met zo’n 350 leden zijn wij een actieve en hechte dorpsvereniging. Wil je ook lid worden klik op deze link!

GESCHIEDENIS VAN EEN VISCOLLEGE
Het rijke hengelsportverleden de viscolleges,
Amsterdam heeft als hoofdstad altijd de positie ingenomen van hengelsportcapitool.
Nog steeds heeft deze stad de grootste hengelsportvereniging van Nederland.Dit is echter ook de enige echte HSV die de hoofdstad nu nog telt. Een kleine eeuw geleden huisvestte Amsterdam echter meer dan honderd visclubs. Peter Paul Blommers beschrijft de rijke historie van deze ‘Vischcolleges’.
Al deze visclubs hadden één ding gemeen: ze visten alleen maar op baars.
En dat deden ze niet zomaar. Er werd in competitie om belangrijke prijzen gevist; en dat met heel veel fanatisme.
Zowel de ontstaansgeschiedenis,gebruikte attributen als organisatie waren uniek.Hoewel de vischcolleges nog voor de Tweede Wereldoorlog over hun hoogtepunt heen waren, kwam er pas recentelijk een definitief einde aan het baarsvissen in Amsterdam.
Historie
Al op tekeningen van Rembrandt uit de 17e eeuw zien we afbeeldingen van hengelaars in Amsterdam. Ook op
Delftse tegels uit die periode komen we vissers tegen. De Amsterdamse baarsvissers zijn goed te herkennen
aan de korte bamboehengel en de fraaie houten wormenbak die aan de broekriem werd bevestigd.
Karakteristiek was ook het houten vistonnetje dat met een dikke leren riem over de schouder werd gedragen.
In Amsterdam wordt dus al vele eeuwen gevist, maar waarom nu specifiek op baars? De belangrijkste reden was dat er gewoon heel veel baars voorkwam.
De grachten van Amsterdam, maar ook de polders en kanalen rondom de hoofdstad, zijn van oudsher zeer
rijk aan deze vissoort. Baars was dus een logische vis om op te vissen. En natuurlijk was het dan leuk om met
je buurman of tegen een ander clubje te vissen en te kijken wie er het meest kon vangen. Zo ontwikkelde
zich gaandeweg de wedstrijdvisserij. En dat werd de motor achter de oprichting van de vele vischcolleges
die na 1890 het levenslicht zagen.
Bloeiend verenigingsleven
Het verenigingsleven nam aan het eind van de 19e eeuw een grote vlucht. Voetbalclubs werden opgericht,
maar ook schermverenigingen, kaartclubs, toneelverenigingen en ga zo maar door. De samenleving ontwikkelde
zich verder en er was blijkbaar behoefte aan ontspanning en het met elkaar beleven van die vrije tijd.
De visclubs bleven niet achter. Rond 1890 waren er in Amsterdam al zo’n 25 baarsvisclubs actief. Probleem is
wel dat er bijzonder weinig documentatie over terug is te vinden. We moeten het dus vooral doen met advertenties
over aangekondigde of juist verviste viswedstrijden in Amsterdamse kranten. En vanaf 1898 met
wat berichten in het blad Piscicultura: een tweewekelijks blad voor de beroepsvisserij in het zoete water en
viskwekers, waar echter ook hengelaars hun berichtjes in mochten plaatsen. Later zou dit het eerste hengelsportblad
van Nederland worden.
De eerste vischcolleges
Hoe zag zo’n viscollege eruit? Een college had meestal tussen de tien en twintig leden. Zelfs voor zo’n klein
clubje ging het er heel voornaam aan toe. Er was een bestuur met een voorzitter, secretaris en penningmeester,
maar ook commissarissen en benoemde wedstrijdsurveillanten en banierdragers. Wekelijks
werd er vergaderd en daarvan de notulen bijgehouden. Elk college had een eigen verenigingsembleem (bijvoorbeeld
een vismandje of twee gekruiste hengels) dat stond afgebeeld op het vaandel en terugkwam in het insigne. Dat insigne moest elk lid tijdens wedstrijden. op het revers van de jas dragen. Het klein lauwerkransje
van ongeveer drie centimeter groot werd aan een zwart/ rood lintje – de kleuren van Amsterdam – gedragen. Het
clublokaal was steevast een café in de buurt, waar de heren wekelijks samenkwamen onder het genot van
een stevige borrel!
Vaandels en namen
In het café hing het vaak schitterende Verenigingsvaandel, waar kosten noch moeite voor waren gespaard.
Naast het vaandel hing de prijzenkast, waar de behaalde trofeeën van de club in werden tentoongesteld.
Bij grote wedstrijden ging het vaandel – waar dan de belangrijkste prijzen uit de prijzenkast op waren
gespeld – zelfs mee naar het water.
De eerste vischcolleges van Amsterdam hadden prachtige namen die iets zeiden over de verbondenheid van
de leden onderling: ‘VC de Vriendenkring’, ‘Vischcollege De Broederband’ of ‘Door Onderling Vereend’ (DOV). De
naam kon ook te maken hebben met het doel: ‘De Edele Baars’, ‘De Gouden Baars’ of een meer bescheiden ‘De
Hoop’. Andere colleges kozen hun buurt als naam voor de club: ‘de Anjelier’ (Anjeliersstraat), ‘Oostenburg’ en
‘De Koning’ uit de Koningstraat zijn daar voorbeelden van. Het aantal colleges breidt zich na 1900 sterk uit en
groeit tussen 1890 en 1920 naar ver boven de honderd verschillende clubs
zelfs in aantal. Een bond voor de Baarsvissers was er echter niet meer. En die was wel nodig om wedstrijden te kunnen organiseren.
baarswedstrijden.
In weer en wind
Die wedstrijden werden tijdens het visseizoen wekelijks of tweewekelijks en in weer en wind gevist. Bijna altijd op
zondag, omdat de zaterdag toen voor iedereen nog een werkdag was. Er werd om half zeven ’s ochtends verzameld
in het café, daar werd koffie (of een borrel) gedronken en geloot wie op welke plek mocht beginnen. Alleen baars
telde mee voor de uitslag. Elke gevangen baars, hoe klein ook, betekende een punt. De winnaar werd het college met
de meeste gevangen baarzen. Extra prijzen waren er ook. De individuele visser met de meeste gevangen baarzen
werd Held van de Dag. Ook voor degene met de meeste pech of de minste baarzen was er een prijs. Die werd, in
onvervalst Amsterdams, de Sjlemiel van de Dag en kreeg ook daarvoor een wat bescheidener medaille! Een extra
prijs was er voor de visser met de grootste baars.
De uitrusting
Naast de hengel en het tuigje waren vier andere attributen onlosmakelijk met de baarscollegevisser verbonden. Om
te beginnen was dat de wormenbak. Dit is niets anders dan een houten kistje waarin de mestpieren werden
de vis in historisch perspectief vervoerd. Aan de achterkant is de bak voorzien van twee
koperen draagbeugeltjes zodat deze aan de broekriem kon worden gedragen. Zo had de baarsvisser zijn wormen
altijd onder handbereik. Bij deze actieve visserij was er tijdens de wedstrijd immers geen tijd te verliezen.
Naast de wormenbak had een beetje baarsvisser een zogenaamd baarstonnetje. Dit was eigenlijk een emmertje
dat voor de helft werd gevuld met water. Tijdens de wedstrijd werden de gevangen baarsjes daar in bewaard
totdat ze konden worden geteld of gemeten.
Aan de andere schouder hing, ook aan een leren riem, een rieten vismandje: de baarsmand. Hier gingen de boterhammen, de borrel en een paar glaasjes in. Hollandse vismandjes hebben in tegenstelling tot die in de ons
omringende landen altijd een houten deksel en zijn ter decoratie voorzien van een koperen of zilveren baars.
De tuigenplank is het vierde en laatste gebruiksvoorwerp van de baarsvisser. Daar werd na het vissen het baarstuigje
op gewikkeld zodat het niet in de war kon raken. Ook echt iets typisch Hollands en heel anders vormgegeven
dan de vurenhouten tuigenplankjes uit de rest van Nederland of het buitenland. De mooiste Amsterdamse tuigenplankjes
zijn gemaakt van mahoniehout en, als je hem van de zijkant bekijkt, uitgezaagd in de vorm van een ‘C’ of een
‘S’. Echt Amsterdams vakwerk.
Bloei en renaissance
Gemeten naar het aantal colleges was het baarsvissen in Amsterdam tussen 1915 en 1935 op zijn top. De grootste
wedstrijden werden ook in die periode vervist. Daarna was de impact van de oorlog zeer duidelijk voelbaar. Zo ben ik
in het bezit van een notulenboek van een college uit Amsterdam-Oost, waarin wordt beschreven hoe het ene
na het andere Joodse lid verdween. Na de oorlog lijkt de Bond van Baarsvissers in Amsterdam stuurloos en is men
niet goed bij machte de draad weer op te pakken en wedstrijden te organiseren. De rol van wedstrijdorganisator
werd vervolgens een aantal jaren vanuit Haarlem vervuld door de Haarlemse Hengelaars Bond. Deze bond herbergde ook een paar baarsclubs en manifesteerde zich actief. Begin vijftiger jaren was Amsterdam weer wat beter
georganiseerd en vonden de wedstrijden weer vanuit de hoofdstad plaats. De Amsterdamse Bond werd omgedoopt
in Bond van Sportvissers en er zat weer structuur in het wedstrijdschema. Zelfs de Eensgezindheidsbeker, een
klassieker uit vroeger tijden, werd van stal gehaald en opnieuw vervist.
Ondergang
Het aantal colleges was toentertijd echter al sterk terug gelopen. In de zestiger jaren waren er nog ongeveer vijftien
over. Het bleek vooral moeilijk om jonge leden te werven voor deze specifieke visserij, zodat het baarsvissen
vergrijsde. Op oude ledenlijsten uit begin jaren ‘70 zien we dat veel leden nog een geboortedatum hadden uit de 19e
eeuw! Later vetrokken veel Amsterdammers naar Lelystad, Purmerend en Almere en kwam er een eind aan de
oude volksbuurten op de Oostelijke Eilanden, in Amsterdam-Oost en de Jordaan. Dit waren van oudsher
echte bolwerken van de Amsterdamse viscolleges. De oudste visclub van Nederland, De Hoop – opgericht in
1894 – stopte er in 2005 mee. Deze club telde toen nog vijf leden die behoorlijk op leeftijd waren, maar die ook nog af
en toe tegen elkaar visten met hetzelfde fanatisme van hun broeders een eeuw eerder. Viscollege de Grondel was
toen al weg en De Edele Baars inmiddels ook opgedoekt. In 2009 stopte het allerlaatste Amsterdamse College, De
Jonge Visscher, er eveneens mee. Deze club uit 1902 was nog in het bezit van de belangrijkste oude rekwisieten
(verenigingsvaandel, prijzenkast) en sloot een tijdperk van 107 jaar clubhistorie af. Daarmee verdween een prachtig
stuk Amsterdamse cultuur.
Zelf op baars vischen
Hoewel de Amsterdamse Vischcolleges verleden tijd zijn, wordt er in de kop van Noord- Holland nog
steeds in competitieverband op baars gevist. De verenigingscultuur is weliswaar verschillend, maar
het vissen nagenoeg hetzelfde. In de buurt van Kolhorn, Schagen of Anna Paulowna en De Rijp kun je het nog
meemaken: een rij van een stuk of twintig baarsvissers langs de kant van een wetering, half in de mist, op
zondagmorgen vroeg. Je waant je dan honderd jaar terug in de tijd van de Amsterdamse Vischcolleges.
Over de auteur
Peter Paul Blommers heeft een eigen hengelsport museum met een unieke collectie materiaal en documentatie
van en over de Amsterdamse Viscolleges. Daarnaast zal hij in 2013 een boek publiceren over de geschiedenis van de
Nederlandse hengelsport
Bron Vissionair 2011 tekst Peter Paul Blommers